Header image  
   
   
line decor
   

Sriptie

Hoe werken de luchtwegen?. 4

1.2        Wat is astma precies?. 4

1.3        In welke vormen laat astma zich zien?. 5

1.4        Hoe worden astma-aanvallen uitgelokt?. 5

1.5        Sanering en preventie. 8

1.6        Medicijnen. 9

1.7        Handelen bij een aanval 10

Hoofdstuk 2 Het kind van 0 tot 4 jaar. 11

2.1        Algemene ontwikkeling van de baby. 11

2.2        Algemene ontwikkeling van de peuter. 12

Hoofdstuk 3 Chronisch ziek zijn. 14

3.1        Wat wordt er verstaan onder chronisch ziek zijn?. 14

3.2        De gevolgen van het ziek zijn. 14

3.3        Samenhang astma en gedrag. 15

Hoofdstuk 4 De beleving van astma. 16

4.1        De zuigeling/baby. 16

4.2        De peuter/kleuter. 17

4.3        Ouders en het gezin. 18

Hoofdstuk 5 Het kinderdagverblijf. 20

5.1        3 verschillende vormen van het kinderdagverblijf. 20

5.2        Wat wordt er anders?. 21

5.3        Wat kan een kinderdagverblijf een astmakind bieden. 22

Conclusie. 25

Aanbevelingen.. 27

Nawoord.. 28

Literatuurlijst. 29

Bijlagen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Voorwoord

 

Jeremy is nu 18 maanden oud. Vanaf zijn geboorte heeft hij moeite met ademen.

Toen hij nog maar 2 uur oud was, begon hij met happen naar lucht. Volgens de verpleging in het ziekenhuis was dit normaal. Ook de kraamverzorgster vertelde mij dat ik me daar niet druk over moest maken.

Slapeloze nachten waren het gevolg. Door de benauwdheid kon hij zijn speen niet in zijn mond houden en sliep hij heel onrustig. Met 3 maanden had hij zijn eerste antibiotica kuur.

Jeremy is altijd al een druk kereltje geweest, maar vooral als er weer een “slechte periode” aankomt, met een zware verkoudheid en een hoop gehoest, dan is het weer “spitsuur”.

 

Veel ouders die ik spreek over dit onderwerp hebben dezelfde ervaring.

De meeste ouders die ik gesproken heb vertelden mij dat zij vinden dat hun kind zich anders gedraagt als andere kinderen. De meeste ouders vinden dat hun kind erg druk is, sommige kinderen zijn altijd druk, andere alleen tijdens of voor een aanval.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Inleiding

 

In het kader van de opleiding SPW-V, heb ik deze scriptie geschreven.

Het onderwerp astma en gedrag heb gekozen omdat mijn zoontje astma heeft en ik veranderingen merk in zijn gedrag wanneer en weer een “periode” aankomt.

In augustus gaat hij naar een kinderdagverblijf, en daarom wilde ik uitzoeken of een astmatisch kind wel op de goede plaats is op een regulier kinderdagverblijf.

Mijn onderzoeksvraag is dan ook; Hoe begeleid je een astmatisch kind en is dit mogelijk op een regulier kinderdagverblijf.

Om deze vraag te kunnen beantwoorden moeten er eerst een aantal dingen worden uitgezocht.

In hoofdstuk 1 wordt uitgelegd wat astma precies is. Hoe de luchtwegen werken, hoe astma-aanvallen worden uitgelokt en in welke vormen het zich laat zien. Ook behandel ik de sanering en preventie, het medicijn gebruik en hoe te handelen bij een aanval.

In hoofdstuk 2 wordt de algemene ontwikkeling van kinderen van 0 tot 4 jaar behandeld.

Hoofdstuk 3 gaat over chronisch ziek zijn en de gevolgen daarvan en de samenhang tussen astma en gedrag.

In hoofdstuk 4 ga ik verder in op de beleving van astma. Hoe dat voor een baby is, voor een peuter en voor het gezin.

In hoofdstuk 5 behandel ik 3 soorten kinderdagverblijven, wat er anders wordt voor de leidsters als er een chronisch ziek kind op de groep komt en wat een kinderdagverblijf astmatische kinderen kan bieden.

Dan in het laatste hoofdstuk,  de conclusie, beschrijf ik mijn bevindingen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 1 Wat is astma?

 

Om goed te kunnen begrijpen wat astma is moet je een aantal dingen weten.

Hoe de luchtwegen werken, wat de ziekte astma op zichzelf is, hoe astma-aanvallen uitgelokt worden en in welke vormen astma zich laat zien.

 

1.1       Hoe werken de luchtwegen?

Als je inademt voorzie je je lichaam van zuurstof. De zuurstof gaat via je luchtpijp.

De luchtpijp splitst zich in 2 takken (bronchiën); 1 naar de linkerlong en 1 naar de rechterlong.

De bronchiën op zich vertakken zich steeds verder ik kleine takjes, aan de kleinste takjes (aan de uiteinden) bevinden zich de longblaasjes. Om die longblaasjes lopen allemaal kleine adertjes. De ingeademde zuurstof komt via de longblaasjes in de adertjes en wordt zo via het bloed door het lichaam vervoerd. Het bloed geeft op zijn beurt weer afvalstoffen terug aan de longblaasjes, dit is koolzuur. Dit koolzuur adem je weer uit.

 

De meeste mensen ademen via hun neus. Als je door je neus inademt worden er veel stofjes tegengehouden door de haartjes en het slijm in de neus. Dit slijm wordt gemaakt door het slijmvlies. De lucht wordt in de neus ook nog eens opgewarmd en bevochtigd.

Ook bevindt zich in je neus het reukzintuig. Door dit reukzintuig wordt je gewaarschuwd als er vieze en stinkende gassen je lichaam binnen komen. Ook in de longen zit slijmvlies, hierop valt de viezigheid neer die van buitenaf je longen binnen komt. Omdat dit vuil niet in je longen kan blijven zitten wordt het door middel van de trilhaartjes, die het slijm van je longen naar je keel vervoeren, je longen uitgewerkt. Het slijm wordt dan opgehoest of doorgeslikt.

 

1.2       Wat is astma precies?

Kinderen met astma hebben een chronische ontsteking aan de luchtwegen.

Als een kind een astma-aanval krijgt vernauwen de luchtwegen zich;

-          Het slijmvlies dat de luchtwegen bedekt zwelt op en zo kan er minder zuurstof door de luchtwegen vervoerd worden.

-          Aan de binnenkant van de luchtwegen wordt extra slijm gevormd. De trilharen kunnen de grote hoeveelheid slijm niet aan. Het extra slijm in de longen zorgt voor nog meer obstakels voor de zuurstof om bij de longblaasjes te komen.

-          De spieren rond de luchtwegen trekken zich samen waardoor de luchtwegen als het ware worden ingesnoerd.

 

Bij jonge kinderen zijn de luchtwegen van zelfsprekend een stuk kleiner dan bij  volwassenen.

Hierdoor raken ze veel sneller vernauwd door de net genoemde oorzaken.

Bij jonge kinderen zorgen vooral het zwellen van de slijmvliezen en de grotere hoeveelheid slijm voor de benauwdheid.

 

 

 

 

1.3       In welke vormen laat astma zich zien?

Astma komt in verschillend vormen tot uiting. De één hoest alleen heel veel, de ander heeft regelmatig heel zware aanvallen. Hoe dit zich uit hangt grotendeels af van de leeftijd van de astmapatiënt.

 

1.3.1       De zuigeling.

Bij baby’s met astma staat vaak overmatige slijmvorming op de voorgrond. Er wordt ook wel gezegd dat het kind ‘vol zit op de borst’.

Zagen en hoesten is op deze leeftijd het meest voorkomende astmasymptoom, maar ook piepen kan voorkomen.

Als het kind alleen ‘s nachts veel hoest en als het regelmatig terugkomt, kan dat ook op astma wijzen, zeker als er in de familie een geschiedenis van astma is.

Soms hoesten de wat oudere kinderen zo lang en hard dat ze er van moeten overgeven. Als het slijm eenmaal uit de longen is, is het leed voor een poosje geleden.

 

Er is in deze leeftijd ook een speciale categorie kinderen. Dit zijn kinderen die vaak “vol” zitten, regelmatig hoesten en pruttelen, maar daar blijkbaar weinig last van hebben.

De Engelsen noemen ze ‘happy wheezers’., ‘de vrolijke piepers’.

Het is nog niet helemaal duidelijk of deze kinderen ook echt astma hebben. Sommige kinderartsen denken van wel, andere weer niet.

 

1.3.2       De dreumes en de peuter.

Rond het 2de of 3de jaar veranderen de klachten wat en gaan meer de astmatische kant uit; piepen en benauwd zijn. Sommige kinderen houden echter lang het hardnekkig hoesten als enige symptoom.

Over het algemeen kun je het astma van kinderen in de leeftijd van 1 tot 3 jaar als volgt beschrijven;

Het piepen en de benauwdheid komt meer op de voorgrond, eerder was dit dus vooral het hoesten. Het piepen en de benauwdheid komt meer in aanvallen voor, de kinderen krijgen minder last van slijm, waardoor het hoesten dus afneemt. En allergische kinderen krijgen op deze leeftijd vaker last van loopneuzen en oor- en keelontstekingen.

 

1.3.3       De kleuter en het schoolkind.

Ruim 80% van de astmatische kinderen heeft voordat ze 4 jaar zijn last van hoesten, piepen en benauwdheid. Het vele hoesten en roggelen dat je bij de jongere kinderen zag maakt plaats voor het regelmatig terug komen van benauwdheidaanvallen.

De astmatische klachten zijn ook vaak seizoensgebonden, vooral in de herfst en winter krijgen de kinderen meer last van hun klachten.

Ook worden veel kinderen benauwd en gaan ze hoesten bij inspanning (inspanningsastma).

Een derde  van de kinderen wordt meerdere malen per week piepend of benauwd wakker.

De helft van hen gemiddeld één keer per week.

Het is niet moeilijk je te bedenken dat dit ten kosten gaat van het humeur van kind én ouder.

 

1.4       Hoe worden astma-aanvallen uitgelokt?

De luchtwegen van een astmapatiënt zijn erg prikkelbaar. Die prikkelbaarheid wordt ook wel hyperactiviteit genoemd.

De prikkelbaarheid van de luchtwegen is niet altijd gelijk. ’s Nachts en in de vroege ochtend is de prikkelbaarheid het grootst. Dit verklaard waarom een kind vaak ’s nachts het meeste hoest.

 

‘Onze zoon van 6 jaar heeft vanaf zijn geboorte al problemen. Hij bleek een koemelkallergie te hebben. Toen hij 14 maanden was, zeiden ze dat hij erover heen was. Na 5 maanden begonnen zijn klachten: benauwdheid, hoesten en slijm. Hij is toen al begonnen met sprayen en heeft werkelijk alles gehad. Nu blijkt dat hij zomers klachtenvrij is en geen medicijnen behoeft te gebruiken. In september tot mei echter komt het weer: hoesten vooral 's nachts, wekenlang totdat er weer een fikse ontsteking omhoog komt. Het is niet vol te houden. Karin’

 

 

 

 

 

1.4.1       Allergische prikkels.

De meeste kinderen hebben last van allergische astma.

Allergische prikkels veroorzaken bij de meeste kinderen geen reactie, maar wel bij kinderen die een allergie hebben voor een bepaalde stof.

 

Hoe komt het dat het ene kind wel allergisch voor een bepaalde stof en een ander kind niet?

Normaal verdedigt je lichaam zich tegen het binnendringen van vreemde stoffen door deze onschadelijk te maken. Dit doet je lichaam door middel van antistoffen.

Bij een allergie maakt je lichaam antistoffen tegen stoffen die helemaal niet gevaarlijk zijn. Bij het gevecht tussen antistoffen en de vreemde stoffen maakt je lichaam histamine aan.

Histamine zorgt voor een ontsteking in je luchtwegen en het samentrekken van de spiertjes rond de luchtwegen. Elke keer dat een kind in aanmerking komt met een stof waar het allergisch voor is, treed deze reactie op.

 

Er zijn 2 soorten allergische reacties;

-          Vroege reactie; deze reactie vind vrijwel meteen nadat het kind in aanraking is geweest met de prikkel. De reactie is op zijn hoogtepunt na ongeveer 10-30 minuten. De reactie verdwijnt vaak weer na 60-90 minuten. Het verband prikkel en reactie is hier erg duidelijk.

-          Late reactie; deze reactie ontstaat pas na 6-8 uur (of nog later) en is vaak heftiger en duurt langer (soms wel 24 uur) dan de vroege reactie. Hier is dus het verband van prikkel en reactie niet duidelijk door het grote tijdsverschil.

 

Welke stof een allergische reactie oproept is bij ieder kind verschillend.

De belangrijkste allergische prikkels zijn;

 

Huisstofmijt in huisstof.

Huisstofmijt is een net niet voor het blote oog zichtbaar spinachtig beestje. De huisstofmijt houdt zich op in het huisstof, vandaar ook de naam. De uitwerpselen van dit beestje zweven in de lucht en zorgen, bij  de mensen die hier allergisch voor zijn, voor een allergische reactie.

Dit beestje leeft het prettigst in een warme, vochtige omgeving waar veel huidschilfers zijn. In vochtige huizen komt veel huisstofmijt voor. In de zomermaanden (warm) en in de herfst neemt hun aantal toe. Ze vertoeven het meest in tapijten, matrassen en kussens, dus ook banken. Vooral het bed is een geliefde plaats, het is er ‘s nachts lekker warm en door het transpireren ook vochtig. Ook is er voldoende voedsel voor de beestjes in de vorm van huidschilfers.

 

Huidschilfers en veren van dieren.

Sommige mensen zijn allergisch voor dieren, hun haren en/of huidschilfers. Of het dier lang of kort haar heeft, dat maakt niets uit.

Ook kan iemand een allergische reactie krijgen als er niet eens een dier in huis is. Bepaalde spullen in huis kunnen ook van dieren haar of huis gemaakt zijn, zoals een donzen dekbed of een tapijt van wol.

 

Schimmels.

Plaatsen waar schimmels voorkomen zijn; koude hoeken, achten banken en kasten, maar ook meterkasten planten en verdampingsbakjes zijn een kweekplaats voor schimmels.

 

Planten.

Sommige planten kunnen een allergische reactie veroorzaken, bijvoorbeeld; pantoffelplantje, dieffenbachia, geraniums, primula’s, hyacinten en kaapsviooltjes.

 

Stuifmeel.

Stuifmeel kan bij mensen die er allergisch voor zijn astmatische klachten veroorzaken (hooikoorts). Maar bij jonge kinderen komt stuifmeelallergie weinig voor.

 

 

 

 

Voedsel.

Ook bepaalde voedselbestanddelen kunnen zorgen voor een allergische reactie. De meest voorkomende voedselallergenen (allergiegevoelige-stoffen) zijn; dierlijk eiwit (koemelkeiwit, kippeneiwit, vis), noten, pinda’s en citrusvruchten.

 

Overige.

In veel producten zitten stoffen die afkomstig zijn van dieren of planten, deze kunnen klachten veroorzaken bij daarvoor gevoelige mensen; cosmetica, schoonmaakmiddelen met enzymen en sommige geneesmiddelen (aspirine, penicilline).

Ook gif van wespen en bijen kunnen astmatische klachten veroorzaken bij de mensen die er allergisch voor zijn.

 

1.4.2       Niet-allergische prikkels.

Van niet allergische prikkels heeft iedereen last, maar een kind met astma kan er veel heviger, eerder en langer last van hebben. Dit heet ook wel hyperactiviteit van de luchtwegen.

Niet alleen allergische prikkels hebben soms invloed op hoe je luchtwegen reageren, ook niet-allergische prikkels kunnen soms vervelende reacties oproepen.

Een aantal niet-allergische prikkels zijn;

-          (Tabaks)rook, kinderen met astma reageren vaak heel heftig op deze prikkel.

Rook nóóit in aanwezigheid van een astmatisch kind!

-          Kookluchtjes, verbrandingsgassen van een gasfornuis of geiser zonder afvoer naar buiten,

-          Lucht van chloor en andere schoonmaakmiddelen,

-          Bepaalde bestanddelen van verf,

-          Parfums, toiletverfrissers, nagellak

-          Lucht van drukinkt (verse krant),

-          Formaldehydegas uit lijm of spaanplaat of nieuwe meubels,

-          autogassen.

-          Temperatuurwisseling, ook het weer kan er voor zorgen dan een kind een astma-aanval krijgt. Plotselinge omslag van de temperatuur, of heel vochtig weer kan voor sommige kinderen erg benauwend zijn.

-          Kou mist, regen, damp vochtigheid kunnen ook bij sommige mensen klachten veroorzaken.

 

 

1.4.3       Infecties.

Veel astmaklachten bij kinderen zijn het gevolg van luchtweginfecties. Zo’n 80 tot 90 % van deze infecties wordt veroorzaakt door virussen zoals het griepvirus. Kinderen met astma hebben niet vaker een virusinfectie dan kinderen die geen astmaklachten hebben. Ook hebben zij niet vaker een “echte” longontsteking. Wel heeft een astmatisch kind er langer last van en kan er kortademigheid ontstaan.

 

1.4.4       Inspanning.

Ongeveer 95% van de kinderen met astma krijgt het tijdens en na een flinke lichamelijke inspanning benauwder. Dit heet inspanningsastma. Ook schreeuwen of roepen tijdens inspanning prikkelen de spieren rondom de luchtwegen om zich samen te trekken. Kortademigheid door inspanning duurt vaak niet langer dan drie kwartier.

 

1.4.5       Emoties.

Psychische factoren kunnen een rol spelen bij astmatische klachten, maar astma is absoluut géén psychische aandoening. Emoties en astma treden wel tegelijkertijd op. Bekend is dat kinderen met astma meer last krijgen als er spannende gebeurtenissen gaan gebeuren zoals Sinterklaasfeest, een verjaardag, eerste schooldag. Emoties kunnen een gevoel van kortademigheid veroorzaken, maar of de luchtwegen zich inderdaad verkrampen is niet wetenschappelijk bewezen.

Ook stress bij de ouders kan gevolgen hebben voor de astma van het kind.

Kinderen voelen feilloos aan als er iets bij de ouders aan de hand is. Zijn de ouders gestresst, dan nemen ze het vaak over. Ook hierdoor kunnen kinderen het benauwd krijgen.

 

 

 

1.5       Sanering en preventie.

Veel astmakinderen hebben een allergie of zijn gewoon overgevoelig is voor bepaalde stoffen/allergenen (huisstofmijt, dieren enz.) zorg dat de kinderen niet met deze dingen in aanraking komt.

Dat heet saneren.

 

1.5.1       Roken

Rook nooit op een kinderdagverblijf. Ten eerste omdat dit erg ongezond is voor de kinderen én voor jou. Ten tweede veel kinderen reageren overgevoelig voor (tabaks)rook.

 

1.5.2           Geuren

Er zijn een heleboel prikkels waar veel astmatisch kinderen op kunnen reageren. Geuren zoals die van parfums, wasmiddelen, geurkaarsjes en toiletverfrissers. Probeer dit dan ook zo veel mogelijk te vermijden. Draag geen parfum, gebruik geen toiletverfrissers op het toilet.

En houdt het wasmiddel op een aparte kamer.

 

1.5.3           Vocht

In een droge omgeving hebben schimmels en stofmijt minder kans. Probeer daarom zoveel mogelijk het verblijf droog te houden.

Goed ventileren en verwarmen van de omgeving zorgt ervoor dat vochtige warme lucht afgevoerd kan worden. Niet alleen tegen vocht is ventileren erg goed, maar ook tegen andere schadelijke stoffen in het verblijf. Tegenwoordig zijn er ventilatoren te krijgen met sensoren erin, die gaan automatisch aan als er teveel vocht in de lucht aanwezig is.

Houdt ook het verschil tussen dag en nachttemperatuur niet te groot. Bij grote temperatuursverschillen ontstaat veel vocht.

 

1.5.4       Schoonmaken

Regelmatig schoonmaken is de beste remedie tegen prikkels. Wat weg is kan geen kwaad meer doen. Vuil zit overal, dus moet je ook overal schoonmaken! Omdat er heel de dag kinderen en volwassenen rondlopen is het het beste om elke dag schoon te maken. Huisstofmijt leeft namelijk van huidschilfers.

Het beste is als je nat schoonmaakt, met een beetje allesreiniger. Daarom is het het beste als je voor een gladde vloer kiest. Linoleum is slijtvast en heel goed schoon te houden. Kies niet voor tapijt, omdat dit een broeikas is voor huisstofmijt. Het is moeilijk schoon te houden en veel vuil blijft erin “hangen”.

Gebruik een allesreiniger die niet teveel ruikt. Gebruik ook niet teveel allesreiniger, want dan blijft het schoonmaakmiddel aan de grond en meubels plakken, en dit trekt weer vuil aan.

Gebruik géén groene zeep, de glycerine in groene zeep trekt vuil juist weer aan.

Kies voor gordijnen die op 60 graden gewassen kunnen worden, op deze temperatuur overleeft de huisstofmijt niet.

Kies ook voor kasten die goed afsluitbaar zijn. Als deurtjes dicht kunnen kan zich hier veel minder stof nestelen als dat een kast open is.

Gebruik zo min mogelijk de stofzuiger als de kinderen nog aanwezig zijn. De stofzuiger zuigt wel stof op, maar er komt altijd een gedeelte door de zak heen, zo ook de uitwerpselen van de huisstofmijt. Dus als er toch gestofzuigd wordt, kan dat het beste gedaan worden wanneer de kinderen niet aanwezig zijn en het liefst ’s avonds, zodat de lucht rustig is wanneer de kinderen de volgende morgen weer komen.

Probeer het speelgoed (knuffels) en verkleedkleren zo te kiezen dat het wasbaar is op 60 graden.

 

1.5.5           Slaapkamers

Omdat veel kleine kinderen op een kinderdagverblijf nog een dutje doen, is het ook in de slaapkamer erg belangrijk om de boel goed schoon en stofvrij te houden.

Zorg ook hier voor gladde vloeren. En voor gordijnen die op 60 graden gewassen kunnen worden.

Kies voor bedden die van glad materiaal gemaakt zijn, en zo dus makkelijk schoon te maken zijn.

De bodem moet goed lucht door kunnen laten, kies daarom voor een lattenbodem of een spiraalbodem. Gebruik ook geen matrasbeschermers tussen de matrassen en de bedbodems, dit gaat het doorluchten tegen.

Kies voor lakens van katoen of linnen, dit neemt het transpiratievocht goed op.

 

 

1.5.6       Meubels

In 85% van de gestoffeerde meubels zit huisstofmijt. Kies het liefst voor leren meubels met vastzittende kussens. Zo kan de huisstofmijt er niet in en er ook niet uit.

Zijn er rotan meubels neem ze dan eens per week af met een sopje en spoel ze ongeveer 2 keer per jaar goed af met de tuinslang.

 

1.5.6           Infecties en virussen

Veel astmatische  kinderen reageren sterk op infecties en virussen. De kans dat een kind met astma weer eens thuis moet blijven vanwege een uit de hand gelopen verkoudheid, is erg groot. Dit is een moeilijk iets om te vermijden. Er zijn erg veel kinderen op een kinderdagverblijf en er is er altijd wel eentje met een snotneus. Eigenlijk is voor een (astmatisch) kind onmogelijk de prikkel van een virus of infectie te vermijden op een kinderdagverblijf.

 

1.6       Medicijnen.

De meeste kinderen met astma gebruiken medicijnen door middel van inhalatie. Medicijnen bestrijden niet de aanleg voor astma. Ze kunnen wel de klachten voorkomen, beperken of stopzetten.

Luchtwegverwijders en ontstekingsremmers zijn de belangrijkste medicijnen bij de behandeling van astma. Zoals de naam al aangeeft zorgen luchtwegverwijders ervoor dat de luchtwegen weer wijder worden.

 

Luchtwegverwijders doen niets aan de ontsteking in de luchtwegen. Iemand die minstens twee keer per week luchtwegverwijders nodig heeft, moet dagelijks ontstekingsremmers gaan gebruiken.
Soms is een luchtwegverwijder ook preventief te gebruiken, dus om benauwdheid te voorkomen. Een kind kan bijvoorbeeld van tevoren een pufje nemen, zodat het toch mee kan naar de dierentuin of een sporttoernooi.
Voorbeelden van luchtwegverwijders zijn: fenoterol/ipratropium (Berodual), salbutamol (Aerolin, Airomir, Ventolin), salbutamol/ipratropium (Combivent), terbutaline (Bricanyl), ipratropium (Atrovent), salmeterol (Serevent) en theofylline (onder meer Euphylong).

 

Ontstekingsremmers doen twee dingen: ze bestrijden een bestaande ontsteking en beschermen de luchtwegen tegen prikkels zodat er minder snel een ontsteking ontstaat.

Een kind dat minstens twee keer per week luchtwegverwijders nodig heeft, moet dagelijks ontstekingsremmers gaan gebruiken. Ook wanneer het kind niet benauwd is.

Voorbeelden van ontstekingsremmers zijn de inhalatiecorticosteroïden: natriumcromoglicaat (Lomudal), nedocromil (Tilade), beclometason (Aerobec, Becotide, Qvar), budesonide (Pulmicort) en fluticason (Flixotide). Een zwaardere behandeling kan bestaan uit corticosteroïd-tabletten, bijvoorbeeld betamethason (Celestone), dexamethason, prednison, prednisolon of triamcinolon.

 

Het inhaleren van medicatie biedt veel voordelen boven de andere manieren van toedienen.

Doordat het medicijn direct in de longen komt geeft het een snel effect en zijn de bijverschijnselen veel minder.

Een voorwaarde is wel dat er extra aandacht besteed wordt aan welke inhalator er gekozen wordt. De keuze van de inhalator is afhankelijk van de leeftijd van het kind.

Er zijn verschillende inhalators verkrijgbaar:

-          Dosis-aërosol. Een spuitbusje met medicijn en drijfgas. Kinderen gebruiken hierbij de inhalatiekamer als hulpmiddel: de Babyhaler, Nebuhaler (met inhalatiekamer), Volumatic en de Aerochamber (met inhalatiekamer). (zie ook bijlage 1: Inhalatiekamers voor Dosis-aërosol)

-          Poederinhalator.  Het poeder in verpakt in losse capsules of de inhalatoren bevatten meerdere doses: Rotahaler, Eclips, inhalator Ingelheim, Cyclohaler, Foradil inhalator diskhaler, diskus turbuhaler.

-          Vernevelaar. Een medicijnoplossing wordt in een reservoir gebracht en verneveld. De nevel wordt in geademd.

 

 

 

 

 

 

 

1.6.2       Gebruiksaanwijzing bij de puf (aërosol met inhalatiekamer)

Een goed gebruik van de puf is noodzakelijk als je de medicijnen hun werk goed wilt laten doen.

Daarom is het belangrijk precies te weten wat je moet doen bij het inhaleren. De meeste kinderen gebruiken de Dosis-aërosol.

Zie ook brochure ‘Inhaleren’ van het Astma Fonds.

-          Schud de puf goed voor het gebruik.

-          Plaats de puf in de inhalatiekamer, als dit nodig is. En zet het kapje over de neus en mond.

-          Als het kind de medicijnen in kan nemen zonder voorzetkamer: plaats dan het mondstuk tussen de tanden en sluit de lippen.

-          Breng het voorgeschreven medicijn in de inhalatiekamer of puf en adem meteen diep in.

-          Adem rustig in en uit door de inhalatiekamer, let op het bewegen van de klepjes.

-          Adem 5 tot 10 keer in en uit; afhankelijk van de grote van de inhalatiekamer, bij kortademigheid 10 keer.

 

1.7       Handelen bij een aanval

Als een kind een aanval krijgt kun je daar flink van schrikken. Het helpt als je de signalen van een slechte periode of aanval ziet aankomen.

Aan veel kinderen is te zien dat ze benauwd worden door één of meer van deze signalen:

-          onrustig, hangerig, druk zijn;

-          slaapstoornissen en vermoeidheid overdag; 

-          verkoudheid;

-          jeuk;

-          slechte adem;

-          wallen onder de ogen, bleekheid.

 

Dit doe je als een kind een aanval krijgt:

-          Blijf zelf rustig, raak niet in paniek. Het kind heeft behoefte aan een beschermende ondersteuning. Angst en paniek zullen de angst en onzekerheid bij het kind groter maken en dat kan de astma-aanval versterken.

-          Probeer een rustig plekje te vinden. Laat een kind met een astma-aanval niet alleen. Zo maak je de paniek alleen maar groter.

-          Zorg dat het kind een juiste houding aanneemt. Elk kind zal zijn eigen voorkeurshouding moeten leren kennen, oftewel in welke houding hij of zij het meest ontspannen en het best kan ademhalen. Een kind kan zelf aangeven welke houding het prettigst is.

-          Praat niet teveel met het kind. Tijdens een astma-aanval is alle energie nodig voor het ademhalen.

-          Geef het juiste medicijn in de voorgeschreven hoeveelheid. Geef niet meer dan is voorgeschreven, dit kan weer andere klachten veroorzaken.

 

               

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 2 Het kind van 0 tot 4 jaar.

 

Voordat een kind ter wereld komt heeft het al een hele ontwikkeling achter de rug. Van een zaadje en een eitje is het volgroeit tot een heuse baby. Ongeboren kinderen kunnen vaak druk worden in de buik, als de moeder onder stress staat. Het vermogen om contact te hebben start dus al hier. Na ongeveer 40 weken komt de baby ter wereld en dan begint het grote avontuur.

 

2.1       Algemene ontwikkeling van de baby.

De 2de fase die de baby doormaakt is de babyfase. Deze fase duurt tot ongeveer 18 maanden. Van een hulpeloos pasgeboren kindje tot een flinke peuter met een eigen wil.

De ontwikkelingen in deze fase vormen de basis voor een verdere ontwikkeling van het kind. Dat betekend ook dat waar die ontwikkeling zich in negatieve zin doorzet het kind een deuk kan oplopen waar het een leven lang last van kan hebben.

 

2.1.1       Motorische ontwikkeling.

De eerste bewegingen van de baby zijn eigenlijk niet meer dan reflexen. Bekend zijn de orale reflexen, waarbij de baby meteen begint te zuigen als er iets in zijn mond wordt gestopt als bij het voeden.

Gemiddeld gezien kan een kind van 1 maand de kin van de grond tillen en kan het met 4 maanden zitten met steun van een ander. Met 7 maanden kan het kind alleen zitten en kan het staan als het zich vast houdt met 9 maanden. De meeste kinderen kunnen met 10 maanden kruipen en lopen met 11 maanden aan de hand.

Met 14 maanden kan het kind alleen staan en loopt het met 15 maanden. Dit zijn gemiddelden, ieder kind ontwikkeld zich op zijn eigen tempo. Dus zal niet ieder kind op precies hetzelfde moment deze dingen kunnen.

Je moet het kind stimuleren en steunen, maar probeer het kind niet te dwingen, dwing het niet dingen te doen waar het nog niet klaar voor is.

 

2.1.2             Zintuiglijke ontwikkeling.

Bij de geboorte zijn de zintuigen van de baby nog niet helemaal ontwikkeld. De baby kan nog geen betekenis geven aan geluiden en gaat na ongeveer 2 maanden pas gerichter kijken. Wel reageert de baby direct na de geboorte op de stem van de moeder, dat is niet zo gek als je je bedenkt dat moeder en kind al 9 maanden samen zijn geweest. 

 

2.1.3       Cognitieve ontwikkeling.

Het leren in deze fase heeft niet alleen betrekking op motorische vaardigheden, maar ook op het leren van woordjes en het herkennen van personen als de moeder, vader, broertjes en zusjes.

Er is sprake van ervaringsleren, de baby leert door het dingen zelf te doen.

Er is sprake van herhalingsleren, de baby leert door eindeloos te herhalen en te oefenen.

Ook is er nog sprake van imiterend leren, door het nadoen van handeling van de mensen om zich heen.

Het is ook erg gevoelig voor belonen. Als het kind enthousiast wordt geprezen voor het doen van de eerste stapjes, spoort hem dat aan tot herhaling van dit gedrag.

 

2.1.4           Sociale ontwikkeling.

De baby communiceert heel subtiel. Het grootste gedeelte van zijn baby-zijn communiceert de baby met lichaamstaal. Zo zegt de wijze waarop een baby de handjes houdt, meer dan dat je in eerste instantie zou denken. Een baby die zijn handje dicht heeft met de duim eruit, ‘vertelt’dat het wacht op wat komen gaat. Heeft de baby het handje helemaal dicht dan betekend dat dat hij zich afsluit van wat er aan de gang is. Een huilende baby heeft vaak zijn vuistje gebald en een baby die de handjes helemaal ontspannen open heeft geeft aan dat het geniet.

Alle baby’s hebben een eigen persoonlijkheid, een eigen temperament. Baby’s reageren verschillend op verschillende situaties.

Er wordt onderscheid gemaakt in 3 verschillende temperamentstypen;

Kinderen met een makkelijk temperament, kinderen met een moeilijk temperament en de langzame starters.

De kinderen met een makkelijk temperament reageren over het algemeen positief. Huilen weinig en passen zich gemakkelijk aan aan de omstandigheden.

De kinderen met een moeilijk temperament, dat is zo’n 10%, huilt veel, zijn prikkelbaar en reageren afwerend of negatief op nieuwe omstandigheden, ook vragen ze veel aandacht.

De langzame starters staan daar tussenin. Over het algemeen heb je geen kind aan ze, maar wordt er afgeweken van de normalen gang van zaken dan kunnen ze wel eens wat negatief reageren, maar niet zo heftig en lang als de kinderen met een moeilijk temperament.

Als de baby net geboren is heeft het nog geen ik-besef. Hij weet niet waar hijzelf ophoudt en waar de ander begint. Langzamerhand leert het kind het verschil tussen zichzelf en een ander. 

 

2.1.5           Emotionele ontwikkeling.

Omdat een baby in het begin nog niet in staat is over zich zelf en andere na te denken wordt er gesteld dat een baby is wat hij ervaart. Dat wordt ook wel totaal ervaren genoemd.

Vanaf de 6de week gaat een baby sociaal lachen, dat wil zeggen dat het niet langer een reflex is maar dat de baby het zelf aanstuurt.

Vaak komt een kind rond de 7de maand in een eenkennigheidsfase. Dat houdt in dat het kind vooral hangt naar de personen die hij het beste kent, meestal zijn dit de vader en moeder.

De eenkennigheidsfase sluit als het ware het hechtingsproces af. Op dat punt heeft het kind zich wel of niet veilig gehecht aan de ouders/opvoeders.

Een veilige hechting is heel belangrijk. Een kind dat zich voldoende veilig heeft gehecht ontwikkelt een houding die zich kenmerkt door een diepgaand vertrouwen. Dat houdt in dat het kind de wereld om zich heen met vertrouwen tegemoet gaat en durft te onderzoeken. Het kind weet dat het altijd terug kan vallen op de ouders/verzorgers. Een veilig hechting wordt bereikt als een baby in al zijn behoeften wordt voldaan.

 

2.1.6           Seksuele ontwikkeling.

Het hele lichaam, de huid, van de pasgeboren baby is is gevoelig voor aanrakingen. Het worden aangeraakt is voor de baby een manier van contact maken met de wereld om hem heen. Huid-op-huidcontact is erg belangrijk, omdat de pasgeboren baby nog niet goed kan zien en ook nog niet kan grijpen naar dingen. Als de baby ouder wordt laat hij merken aan de mensen die hij vertrouwd dat hij behoeft heeft aan lichaamscontact. Hij kruipt bij je op schoot of slaat de armen om je heen.

Vooral de mond speelt in deze fase een belangrijke rol. Deze fase in de leeftijd wordt ook wel de orale fase genoemd. Het zuigen met de mond geeft de baby lustgevoelens, het voelt zich lichamelijk prettig als het kan zuigen.

 

2.2      Algemene ontwikkeling van de peuter.

Deze fase duurt van ongeveer 18 maanden oud tot 4 jaar. Wat er in deze fase het meest opvalt is de cognitieve vooruitgang.

 

2.2.1           Lichamelijke ontwikkeling.

In deze fase groeit het kind voornamelijk in de breedte. Als het kind rond de 18 maanden is zal het gemiddeld zo’n 82 centimeter zijn en zal ongeveer 12 kilo wegen.

Ook zal in deze fase van de ontwikkeling de grove motoriek worden verfijnt.

 

2.2.2           Cognitieve ontwikkeling.

Op deze leeftijd wil het kind de wereld om zich heen grondig gaan ontdekken. De drang die aanstuurt tot het onderzoeken wordt ook wel exploratiedrang genoemd.

Het denken van de peuter is vooral nog concreet, hij snapt wel wat een stoel is, maar nog niet wat meubels zijn. Ook denkt de peuter magisch, alles kan. Hij bedenkt voor alles een eigen verklaring. Denk bijvoorbeeld aan het doortrekken van de wc; als er een plasje doorheen kan dan kan hij dat ook.

Ook denken peuters animistisch. Ze geven aan levenloze objecten menselijke eigenschappen. De pop kan wakker worden als mama zo hard praat.

Kinderen in deze leeftijd hebben nog geen inzicht in oorzaak en gevolg.

’s Avonds is Sesamstraat op de televisie, dus als hij de televisie aanzet is er automatisch Sesamstraat.

Met 4 jaar kan de peuter gemiddeld redelijk goed praten. Met deze leeftijd is de peuter is staat om opdrachten uit te voeren en antwoord te geven op vragen. Het kind is goed te verstaan.

 

 

 

 

2.2.3           Sociale ontwikkeling.

Langzaamaan wordt de peuter wat socialer. Maar hij is nog niet in staat zich in te leven in een ander, hij bekijkt de wereld alleen nog vanuit zijn oogpunt. En kan dus nog geen rekening houden met anderen, de peuter is egocentrisch.  Dit is het gevolg van het ontdekken van de ik. Doordat de peuter steeds bezig is met het ontdekken van de wereld, ontstaat er het ik-besef. De peuter raakt zo vol van zichzelf dat er als het ware een explosie is van egocentrisme. Hij kan op verstandelijk niveau nog niet bevatten dat een ander ook gevoelens, eigen gedachten en eigen behoeften heeft.

Deze egocentrisme komt ook tot uiting in het spel. Een peuter speelt voornamelijk alleen, solitair spel. Soms lijkt het dat de peuter wel samen speelt, maar als je goed kijkt dan merk je dat ze naast elkaar spelen, parallelspel.

In deze leeftijd kom je ook de peuterpuberteit tegen. De peuter leert dat hij een eigen wil heeft. Hij kan anders doen dat dan andere willen. Hij zet zich af tegen zijn opvoeders. Deze koppigheid uit zich niet alleen in het niet doen wat de opvoeder graag wil, maar ook in het alles zelf willen doen.

De koppigheid van de peuter is niet met kwade opzet. En als hij eenmaal op de route is kan hij zich niet makkelijk van deze route afstappen. De peuter is niet flexibel. De koppigheidsfase is voor de ontwikkeling van de wil van groot belang. Zo experimenteert en oefent hij met zijn eigen wil. Het idee de peuter te moeten laten zien wie de baas is, of het willen breken van zijn willetje, komt de persoonlijkheidsontwikkeling en de opvoeder-kindrelatie niet ten goede. Natuurlijk houdt dit niet in dat de opvoeder het kind zijn gang moet laten gaan. Als het gaat om de bestwil of de veiligheid van het kind, moet de opvoeder soms de confrontatie aangaan.

 

2.2.4           Emotionele ontwikkeling.

Zoals ik al eerder verteld heb is het hebben van een veilig hechting van belang als het gaat om het exploreren, het ontdekken van de wereld. Een veilige hechting zorgt er ook voor dat kinderen durven te experimenteren met hun eigen wil.  Hij durft zijn ouders boos te maken omdat hij weet dat ze toch wel van hem houden en hem niet in de steek laten.

Omdat een peuter vaak nog niet in staat is zijn gevoelens duidelijk te maken, kunnen ze emotioneel erg heftig reageren. Driftbuien, gilbuien, trekken en duwen komen vaak voor, ook slaan en bijten is geen onbekende reactie van peuters. Het is dan belangrijk dat de opvoeder de gevoelens van het kind verwoord, zo leert het kind de gevoelens te benoemen en zal minder snel in een erg emotionele uitbarsting komen.

Een kind op deze leeftijd heeft het nog niet in de hand om een driftbui te voorkomen. Het krijgen van driftbuien hoort bij de emotionele ontwikkeling.

De peuter heeft dan grenzen nodig (geen straf) van de volwassene om weer tot zichzelf te komen. Het leert dan dat de driftbui overgaat, waardoor het leert dat het niet zo eng of erg is om een driftbui te krijgen. Ook naarmate het kind ouder wordt en meer zelf kan, wordt hij minder gefrustreerd, en worden de driftbuien minder.

Vaak heeft het gedrag van de peuter ook geen kwade bedoeling, maar omdat ze nog niet helemaal de controle hebben over hun ledematen, nog wat onhandig zijn, kan bijvoorbeeld aaien nogal hardhandig gaan en meer lijken op slaan. Omdat het kind het vaak niet kwaad bedoelt is het beter als de opvoeder laat zien hoe het wel moet, in plaats van kwaad te worden. De peuter heeft geen besef van dat hij iets fout doet, het zal dan niet begrijpen waarom de opvoeder kwaad is.

 

2.2.5           Seksuele ontwikkeling.

In de peuterfase leert het kind al zijn lichaamsdelen kennen en ze ook te benoemen. De peuter ontdekt en onderzoekt zijn hele lichaam, dus ook zijn geslachtsorganen. Er is op deze leeftijd nog geen sprake van schaamte. Hij is juist heel open, hij gaat op het potje in een kamer vol mensen en vind het ook niet erg om zijn kleren uit te trekken.

Door tegen de peuter te zeggen dat zulk gedrag niet hoort, dat het zich moet schamen, neem je de spontaniteit en de openheid bij hem weg.

De peuterleeftijd is ook de leeftijd dat kinderen zindelijk worden. Met het zindelijk worden wordt het kind zich ook bewust van zijn eigen poep en plas en dus ook van zijn uitscheidingsorganen.

Wat betreft de seksuele ontwikkeling spreken we in deze fase over de anale fase. De lustbeleving van de peuter heeft alles te maken met het poepen. Hij beleeft plezier aan het poepen, hij is trost op zijn ‘eigen product’. Ook vind hij zijn poep niet vies, hij ervaart het spelen er mee juist als erg prettig.

Ook ervaart hij een gevoel van macht met het al dan niet iets in op potje doen.

 

 

 

Hoofdstuk 3 Chronisch ziek zijn.

 

3.1       Wat wordt er verstaan onder chronisch ziek zijn?

Het Centraal Bureau van Statistiek spreekt van chronisch ziek zijn wanneer een kind in de afgelopen 12 maanden meer dan 3 maanden ziek is geweest of wanneer er meer dan 3 ziekteperiodes voorkwamen.

 

Kinderen worden net als volwassenen ziek. Ze kunnen het worden na een kortere of langere tijd gezond geweest te zijn. Helaas kan de ziekte ook al bij de geboorte of kort daarna al aanwezig zijn.

Er zijn vervolgens verschillende wendingen mogelijk.

-          Het kind wordt beter,

-          Het kind sterft,

-          Het kind overleeft de acute ziekte en houdt daar niets aan over

-          Het kind wordt niet beter,

-          Het kind heeft geen ziekte maar wel klachten,

-          Het kind is afwisselend ziek en zonder klachten.

Het grootste gedeelte van de astmapatiëntjes valt onder de op één na laatste, het kind is afwisselend ziek en zonder klachten. Helaas is er altijd nog een gedeelte dat ondanks alle medicijnen en medische zorgen overlijden naar aanleiding van een aanval.

 

3.2       De gevolgen van het ziek zijn.

Chronische ziekte bij kinderen leidt vaak tot het ontstaan van psychologische en sociale problemen. Bij 40 % van de kinderen met een chronische ziekte ontstaat vroeg of laat een psychosociale stoornis (Pless, 1971 en Watson, 1972).

Psychosociale stoornissen die bij kinderen met een chronische ziekte vaker voor komen dan bij gezonde leeftijdsgenootjes zijn;

-          lastig en vervelend,druk gedrag,

-          slapeloosheid, angst om te slapen,

-          spijbelen en schoolverzuim,

-          gedragsstoornissen: duimzuigen, nagelbijten, stotteren, tics,

-          sociaal isolement, vertraagde sociale ontwikkeling,

-          minder vrienden,

-          onzekerheid over het verloop van de ziekte,

-          reële angsten, onder andere voor het weer opvlammen van de chronische ziekte,

-          problemen, angsten en onzekerheden, voortvloeiende uit de korte levensduur,

-          aparte omgang door de omgeving, o.a. klein houden, teveel beschermen, buitensluiten,

-          minderwaardigheidsgevoelens,

-          onzekerheid omtrent de toekomst.

Natuurlijk is er een groot verschil tussen de kleine kinderen en de al wat oudere, hoe ze reageren op hun ziekte. De jongste zullen natuurlijk nog niet zo duidelijk beseffen dat zij een chronische ziekte hebben. Maar toch heeft het hebben van een chronische ziekte ook op de jongste een effect.

 

Hoe het kind reageert hangt vooral bij de jongste kinderen ook af van hoe de ouders reageren.

Als de ouders zich machteloos voelen, niet weten wat ze moeten doen, in paniek raken, dan heeft dit een effect op het kind. Het kind heeft altijd op de ouder kunnen vertrouwen, de ouder wist altijd wel wat te doen, maar als deze zekerheid wordt weggenomen zal ook het kind in paniek raken, niet meer weten wat te doen.

Deze en andere veranderingen in de dagelijkse routine kunnen voor het kind vreemd en bedreigend zijn. Ook een (plotselinge) ziekenhuisopname neemt het kind weg van de vertrouwde omgeving en vertrouwde gezichten. Alle angsten en emoties kunnen een gevolg hebben.

 

“Freddy is een lief mannetje. Hij is nu 2 jaar oud en sinds zijn 4de maand heeft hij last van astma. Hij is druk. Overdag maar ook ‘s nachts. Vooral als hij weer ziek wordt. Dan kan ik aan zijn gedrag merken dat er weer iets aan zit te komen. Hij luistert dan niet, doet van alles wat niet mag en ligt de hele nacht te draaien. Ik merk, als ik er met andere ouders over praat dat er meer zijn die dit herkennen bij hun kind”

 

3.3       Samenhang astma en gedrag.

Gedrag is eigenlijk alles wat mensen doen, daarbij geldt wel dat we elke activiteit moeten kunnen waarnemen.

De oorzaken van gedrag zijn te verdelen in 2 hoofdgroepen; innerlijke factoren en uiterlijke factoren.

Onder innerlijke factoren verstaan we;

-          Lichamelijke invloeden, bijvoorbeeld lichaamsgewicht, handicap, lengte en ziektes.

-          Geestelijke invloeden, bijvoorbeeld verdriet, angst, schaamte.

-          Sociale behoeften, bijvoorbeeld het bij een groep willen horen.

Onder uiterlijke factoren verstaan we;

-          De fysische omgeving, bijvoorbeeld natuur, klimaat en gebouwen.

-          De sociale omgeving, dat wat mensen doen en zeggen.

Hoe het gedrag van een kind veranderd wanneer het een bepaalde chronische ziekte heeft zoals astma, hangt af van zowel de innerlijke als de uiterlijke factoren.

 

Kinderen met astma hebben last van een medische situatie die én uitwerking heeft op het lichamelijk én op het psychisch welzijn.

Er zijn een hoop studies gedaan naar de samenhang tussen astma en gedrag. Gek genoeg zijn de uitkomsten grotendeels verschillend.

Volgens Bender (1988) en Kashani (1988) en Mrazek, (1985) hebben kinderen met astma een grotere kans op gedrags- en psychosociale problemen (vooral depressieve stemmingen, angsten en slaapproblemen, paniekaanvallen,eenzaamheid, hyperactief gedrag en een negatief zelfbeeld) dan kinderen die geen astma hebben.

Weer andere studies geven aan dat er geen relatie is tussen astma en psychische problemen. (Graham, 1967; McNicol, 1973)

Ook zijn er ook nog onderzoeken die aangeven dat kinderen met lichte astma een kleinere kans op psychische problemen hebben dan  kinderen met ernstige astma*. (Breslau and Marshall, 1985; Perrin, 1987; Stein and Jessop, 1984).

De verschillen in de uitkomsten van de studies is hoogstwaarschijnlijk gekomen door op een verschillende manier onderzoek te houden. Verschil tussen het gebied waar de kinderen vandaan kwamen, verschil in hulpverlening (astmazorg of psychiatrische overlegdienst),de grootte van de steekproef e.d.

(Uitgebreide uitleg over de onderzoeken en uitkomsten is te vinden bijlage 2: Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry; Discussion.)
Oftewel de meningen zijn hier erg over verdeeld.

 

* (Bij licht astma heeft het kind minder dan 1 keer per maand een aanval en is regelmatig langere perioden klachtenvrij. Bij ernstig astma hebben kinderen vaker dan 1 keer per week een aanval en dagelijks wisselende klachten. Daartussenin zit matige astma.)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 4 De beleving van astma.

 

Een chronische ziekte als astma stelt zowel aan het kind zelf als aan het gezin grote eisen. Angst en onzekerheid ten aanzien van het verloop, de toekomst, behandeling, ziekenhuisopnamen kunnen als zeer belastend en bedreigend worden ervaren door kind ouders en familieleden.

 

4.1       De zuigeling/baby.

De baby heeft nog geen lichaamsbesef en zal de luchtwegklachten zoals verkoudheid en volzitten beleven als een verstoring van zijn welbevinden. Dit kan zich uiten in huilerig gedrag. Soms lijkt het kind op deze leeftijd er weinig (bewust) last van te hebben. Wel zijn de ouders vaak erg onzeker.

 

Huilen en (niet)slapen. Alle baby’s huilen. Huilen is in de eerste weken de belangrijkste manier van communicatie voor baby’s. sommige baby’s huilen veel meer dan het gemiddelde kind. Daarvoor kunnen er een aantal redenen zijn. Een van die redenen is benauwdheid en/of vermoeidheid. Als een baby het erg benauwd heeft kan het moeite hebben om in slaap te komen en te blijven. Het kan zijn dat een kind, dat graag een speen heeft, door de benauwdheid de speen niet vast kan houden en daardoor haast niet in slaap kan komen. Er wordt ouders en verzorgers verteld dat de baby het beste op de rug kan liggen met slapen in verband met wiegendood. Helaas is dit voor veel benauwde baby’s geen prettige ligging. Door de neerwaartse druk op de longen is het voor de baby nog moeilijker te ademen.  Probeer een kind wat moeilijk in slaap komt op een rustige plek neer te leggen. Apart op een slaapkamertje met donkere gordijnen (hoe donkerder hoe meer rust iemand krijgt in zijn slaap), zodat het kind de rust krijgt die het nodig heeft, zeker als het kind de nachten erg druk is.

 

‘ De kraamverzorgster vertelde mij dat ik Noëll op zijn rug moest leggen i.v.m. wiegendood. Ik heb het meerder malen geprobeerd, maar meneer draaide zich elke keer weer om op zijn buik. Hij sliep erg slecht, door zijn benauwdheid en daardoor kon hij zijn speen niet in zijn mond houden. Ik heb toen een luchtdoorlatend matje gekocht voor over zijn matrasje en legde een hydrofielluier voor zijn speen neer zodat hij hem zelf niet vast hoefde te houden. Toen werden de nachten iets rustiger. Nathalie’

 

Een andere reden is huilen van de buikpijn. Veel astmatische kinderen hebben ook een voedselallergie. Als het huilen iedere keer na de voeding de kop op steekt, is er een grote kans dat het gaat om een voedselallergie. Naast een voedselallergie zijn er een reeks andere mogelijkheden die hevige buikpijn kunnen veroorzaken. Het kan een urineweginfectie zijn, een verstopping, diarree of gewoon darmkrampjes. Het is niet altijd eenvoudig de oorzaak van de buikpijn op te sporen en daarom is het belangrijk om bij heftige buikpijn niet te wachten met het raadplegen van een arts.

En dan is er nog de huilbaby. Bij een huilbaby is er geen lichamelijke oorzaak te vinden voor het vele gehuil.

Probeer het kind niet te mijden maar troost het kind en geef het ook aandacht als het niet huilt. Zeker een huilbaby heeft positieve aandacht nodig.

 

Drukke baby. Het is moeilijk om met strakke lijnen te zeggen hoe je een drukke baby het beste kunt begeleiden. Elk kind is immers anders en reageert anders op verschillende dingen. Maar een paar lijnen kun je vasthouden;

Zorg dat je een vast ritme hebt vaste tijden voor voeding, slapen , vaste routines voor verschillende gebeurtenissen, zo weet de baby waar het aan toe is. Dit werkt het beste als je de handelingen en routines op elkaar afstemt, thuis en op het kinderdagverblijf.

Maak gebruik van de momenten dat de baby wel even rustig is om oogcontact te maken en iets liefs tegen hem te zeggen of een liedje te zingen. Zo krijg je een goede band met het kind, waardoor je het eerder rustig kunt krijgen wanneer er zich iets voordoet.

Probeer voor de baby een zo rustig mogelijke omgeving te creëren, als en baby te veel te zien heeft krijgt het steeds nieuwe impulsen waardoor de rust voor de baby moeilijk te vinden is.

Troost een onrustige baby. Weinig met een baby spelen omdat je blij bent dat het stil is kan gevolgen hebben voor de band die je met het kind hebt. Een baby die leert dat de leidster liever niet reageert omdat ze even rust heeft, kan zich minder makkelijk aan de leidster hechten. Als je de baby blijft “belonen” wordt je meestal vanzelf beloond met een rustiger kind.

 

 

 

4.2       De peuter/kleuter.

Op deze leeftijd begint het kind zijn omgeving te ontdekken. Het onderzoekt veel en de ouders/verzorgers zullen grenzen stellen. Bij regelmatige benauwdheid zal het kind vaak binnen blijven, waardoor verzuim van de peuterspeelzaal/kinderdagverblijf optreedt. Zijn ‘ontdekkingsreizen’ worden beperkt waardoor een achterstand kan ontstaan in de ontwikkeling. Het kind en de ouders kunnen gevoelens van angst, onveiligheid en onzekerheid hebben bij de aantocht van een minder goede periode, een periode van aanvallen en ziek zijn.

 

Angst. De leeftijd van het kind is hier erg belangrijk. Baby’s en jonge peuters ervaren onbehagen (kou, honger, jeuk, benauwdheid) en reageren daarop met huilen. Oudere peuters en kleuters lijken snel te wennen aan het onbehagen. Ze passen zich snel aan. Toch zijn er astmakinderen die angstig zijn. Dit komt meestal niet voor bij kinderen met alleen benauwdheidklachten. Meestal is er dan meer aan de hand. Bijvoorbeeld een plotselinge ziekenhuisopname waarbij omstanders erg zijn geschrokken van de aanval maakt het kind angstig. Of er is bij onderzoeken en behandelingen niet tactisch met het kind omgegaan. Kinderen kunnen dan bang worden voor de ziekte en voor de behandeling. 

 

Ontwikkelingsachterstand. Doordat een kind met astma vaak erg druk bezig is met ‘overleven’ heeft het geen tijd zich “onbewust” bezig te houden met andere dingen, zoals de ontwikkeling. Zo komt het voor dat een kind met een chronische ziekte als astma achter raakt in de sociale en geestelijke ontwikkeling. Bij een effectieve behandeling komen deze achterstanden niet heel vaak voor of ze worden weer ingelopen.

 

Schaamte en ontkenning. Kinderen willen vaak niet graag opvallen, anders zijn dan andere kinderen, ze kunnen zich schamen voor hun ziekte. Daarom komt het voor dat een kind net doet alsof er niets aan de hand is en zich daardoor in de problemen werkt. Het kind kan meedoen met spelletjes waardoor het benauwd wordt of meegaan naar de kinderboerderij terwijl het een zware allergie heeft voor dieren. Ook kan het zijn dat een kind zijn medicijnen niet wil nemen omdat hij zich er voor schaamt en dat hij dan anders is dan andere kinderen. Door openlijk over astma te praten ontstaat er een basis voor acceptatie van de astma.

 

Misbruik maken van astma. Iedereen heeft wel eens dat een ziekte eigenlijk goed uitkomt. Bijvoorbeeld een griepje als je naar een verjaardag moet waar je eigenlijk geen zin in hebt. Zo kan het ook zijn bij kinderen met astma. Bijvoorbeeld wanneer een kind geen zin heeft om het speelgoed op te ruimen kan net doen alsof het een aanval heeft of de klachten overdrijven om zo onder het opruimen uit te komen. Een kind zal echter niet gauw een aanval bewust uitlokken. Benauwdheid is een heel angstig gevoel, en een kind verlangt niet zo naar dat gevoel om ergens van af te zijn.

Als je het idee hebt dat het kind overdrijft kun je daar (als het kind de leeftijd heeft dat het mogelijk is) het beste met het kind openlijk over praten. Op die manier breng je de ware reden van zijn ‘aanstellerij” boven water.

 

Moeilijk/druk gedrag. Elke chronische ziekte betekent voor kind én ouder een constante bedreiging en een emotionele uitdaging.  Doordat het verloop van de ziekte niet te voorspellen is, is er een constante stress.  Ook hebben deze kinderen een ander levenspatroon. Er zijn een hoop dingen waaraan ze moeten denken als ze ergens willen gaan logeren, sporten, spelen. Ze volgen strikte leefregels, gebruiken medicijnen en gaan vaker naar ziekenhuizen en dokters. Je kunt je voorstellen dat dat een enorme druk met zich meebrengt. Veel kinderen hebben last van inspanningsastma, hierdoor kunnen ze opvallen tijdens het sporten en gymnastieklessen.

Ook hebben sommige kinderen een apart dieet, daarvoor zullen enige maatregelen getroffen moeten worden.

Dat als hij zich niet aan bepaalde regels houdt, dat hij dan heel erg ziek kan worden. Zo ziek zelfs dat hij in het ziekenhuis kan belanden of erger nog kan overlijden.

Maar ook kinderen die daar nog geen besef van hebben, baby’s en peuters. Kinderen die zo ineens benauwd worden, niet meer weten wat ze moeten doen en alleen maar kunnen vertrouwen op hun moeder,vader of een andere volwassene.

Geen wonder dat een kind zich niet altijd gedraagt zoals een ander het zou willen. Hij moet vechten, zijn best blijven doen om in leven te blijven.

Druk gedrag hoort bij de ontwikkeling van peuters en dat is niet zo gek, want een peuter heeft het ook druk! Hij is de hele dag bezig met het ontdekken van de wereld.

Bij de peuter is het vaak nog moeilijker om een duidelijke strakke lijn aan te geven wat betreft de omgang met een druk kind. Omdat in deze leeftijdsfase het kind ook gaat onderzoeken en leert wie hij/zij is. Ook leert het kind dat het nee kan zeggen en doen. Niet ieder kind laat zich even gemakkelijk zeggen wat wel en wat niet mag.

Een paar regels die je in de gaten kunt houden als het gaat om drukke peuters.

Wees duidelijk in de regels. Wees consequent, als het de ene keer wel mag en de andere keer niet, dan weet de peuter ook niet waar hij/zij aan toe is. Geef uitleg bij regels, zo leert het kind ze beter begrijpen. Ook voor de peuter is een duidelijke dagstructuur erg belangrijk. Weten waar het kind aan toe is kan een hele rust zijn.

Zorg dat het kind elke dag een vaste tijd heeft dat het even kan dollen, even helemaal uit de band kan springen. Geef een alternatief als je iets verbiedt. 'Je mag niet zwaaien met die stok, maar je kan hem wel als wandelstok gebruiken, kijk eens wat een grote stappen je ermee kan maken'.

Bereid het kind voor op veranderingen. En geef het kind een overzichtelijke speelplaats, met overzichtelijk speelgoed. Zo weet het kind precies wat er allemaal is en zal het niet gauw door de bomen het bos niet meer zien.

Meer over pedagogische aspecten in hoofdstuk 5 Het kinderdagverblijf.

 

‘Mijn zoontje in nu net 2 jaar en heeft astma vanaf 6 maanden. Wij hebben de indruk dat zijn gedrag wel degelijk wordt beïnvloed door het veel ziek zijn. Als baby was hij een vrolijk, rustig ventje. Vanaf het moment dat hij ziek werd, veranderde hij. Veel huilen, veel boos. Hij wil zo veel en kan zo weinig en is dus super gefrustreerd. Hij heeft veel energie, maar door veel te bewegen krijgt hij het benauwd. Hij loopt ook wat achter in zijn algehele ontwikkeling en de kinderarts is van mening dat dit ook door zijn ziekte komt. Maar ik denk dat zijn gedrag ook een beetje door ons wordt beïnvloed. Want als ouders van een chronisch ziek kind, ga je dat kind onbewust toch anders benaderen. Je bent meer bezorgd en voorzichtiger. Marike.’

 

‘Ik weet nog van vroeger dat ik erg druk kon zijn als ik een aanval kreeg.

Hoe meer problemen ik met mijn astma had hoe drukker ik werd.
Ik merk het nu nog steeds dat ik druk wordt, totdat ik haast helemaal geen lucht meer heb en dan maar plat in bed ga liggen (nou ja plat het kussentje lekker hoog en dan maar wachten tot
het weer beter gaat). Fred’

 

‘Mijn dochter van 4 heeft ook gedrag dat vaak niet te hanteren is. Omdat 't erg uit de hand liep hebben wij begeleiding gekregen van een orthopedagoog. Zij is gespecialiseerd in kinderen met astma. Haar adviezen hebben ons weer op het goede spoor gezet. Maar het blijft heel moeilijk om hier mee om te gaan. Jolanda.’

 

4.3       Ouders en het gezin.

Voor de ouders is een ziek kind ook een enorme last. Helaas stappen veel ouders in dezelfde valkuilen.

 

Overbeschermen. Het kan gebeuren dat astmatische kinderen zwakker gezien worden dan dat ze zijn, hierdoor worden ze vaak te veel beschermd. Het kan bijvoorbeeld zijn dat een kind direct na school thuis moet komen, omdat de ouders bang zijn dat hij een aanval krijgt terwijl er niemand in de buurt is. Ook kan een kind bepaalde leuke dingen ontzegt worden door angst voor een aanval. Door overbezorgdheid van de ouders hebben deze kinderen vaak een angstige houding. Het is juist van belang kinderen zelfstandig en zelfredzaam te laten opgroeien., daarvoor is het nodig dat zij zelf ontdekken waardoor en wanneer zij benauwd worden.

 

Uitzonderingspositie. Doordat een astmakind vaak ziek is kan het gebeuren dat de ouders en/of verzorgers het kind in een uitzonderingspositie plaatsen. “Omdat het kind al zo vaak ziek is, moet je het niet teveel belasten met taken en straffen.” Het kind leert hierdoor niet de grenzen kennen en wordt zo geen zelfstandig individu.

Een kind met astma moet net als alle andere kinderen leren de lusten en lasten van het leven te dragen.

Het beste is zo gewoon mogelijk te doen over bepaalde taken die het kind met astma net zo goed kan doen als het ‘gezonde’ kind. Zijn er taken die niet mogelijk zijn voor het kind met astma, geef het dan ene andere taak die wel geschikt is. Ook met grenzen stellen heeft het kind met astma net zo goed grenzen nodig om op te groeien tot een zelfstandige volwassene.

 

Te hoge eisen stellen. Een kind dat erg vaak ziek of benauwd is is snel moe. Daarom kunnen ze niet altijd alles doen wat er van ze gevraagd wordt. Veel aanvallen spelen zich in de nacht af. Hierdoor kan het kind erg vermoeid raken waardoor het een dag van de peuterspeelzaal of school moet missen of zich slecht kan concentreren. Een kind dat net ontslagen is uit het ziekenhuis kun je niet vragen om mee te gaan een stuk te wandelen.

 

Irritatie. In een gezin waar een kind astma heeft, kan de astma tot irritaties leiden. Astma klachten komen en gaan, juist op ongelegen momenten zoals ’s nachts.

Gezinsleden slapen slecht of moeten geplande afspraken afzeggen. Het kind met astma verricht meestal ook minder huishoudelijke taken. Ook krijgt het zieke kind vaak meer aandacht dan de andere kinderen thuis of op het kinderdagverblijf. Het kan gebeuren dat de andere kinderen niet met het kind willen spelen omdat het altijd voor ‘problemen’ zorgt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 5 Het kinderdagverblijf.

 

Anderhalf miljoen kinderen in Nederland hebben te maken met de kinderopvang.

Dat is meer dan de helft van alle kinderen van 12 jaar en jonger. Met ruim 900.000 kinderen is de oppas de meest gebruikte vorm van kinderopvang. Bijna 400.000 kinderen gaan daar de professioneel georganiseerde opvang en 800.000 kinderen krijgen een andere vorm van opvang, zoals peuterspeelzaal of overblijven op school. (CBS)

 

5.1        3 verschillende vormen van het kinderdagverblijf.

 

5.1.1       Het reguliere kinderdagverblijf.

Een regulier kinderdagverblijf is een opvang voor kinderen van 0 tot 4 jaar.

Op een regulier kinderdagverblijf worden kinderen opgevangen in een vaste groep van ongeveer 12 kinderen en 2 leidsters. Hoe de groepen zijn ingedeeld hangt af van het kinderdagverblijf. Het ene verblijf heeft de groepen horizontaal ingedeeld, dat wil zeggen kinderen van ongeveer dezelfde leeftijd bij elkaar. Weer andere verblijven hebben de groepen verticaal, dus verschillende leeftijden door elkaar.

De kinderen worden meestal (door het tekort aan opvang wil het wel eens anders) begeleid door gediplomeerde leid(st)ers.

Gestreefd wordt naar een evenwichtige ontwikkeling van ieder kind.

Een kind wordt op een kinderdagverblijf verzorgd, gevoed, geknuffeld en getroost. Er wordt daar met ze gespeeld en ze leren de lessen van het leven. Het is een verlengstuk van de thuissituatie.

Deze vorm van kinderopvang heeft géén nadrukkelijk beleid voor kinderen met een chronische ziekte zoals astma. Het reguliere kinderdagverblijf staat open voor kinderen die extra zorg vragen zoals kinderen met astma, maar ook kinderen met een licht verstandelijke handicap of een lichte achterstand in de sociale ontwikkeling.

Natuurlijk zijn er altijd kinderen waarbij zich achteraf problemen voordoen. De organisatie speelt hier op in en probeert voor ieder kind een antwoord te vinden.

 

5.1.2           Het regulier kinderdagverblijf met doelgroepenbeleid.

Deze kinderdagverblijven zijn er speciaal voor een bepaalde doelgroep, zoals kinderen met een  handicap, vluchtelingenkinderen of kinderen met bepaalde problemen. Het kinderdagverblijf treft aanpassingen om deze doelgroep te kunnen laten gebruikmaken van het gewone aanbod.

Het uitgangspunt is dat er gewone opvang geboden wordt. Er is bijvoorbeeld een speciaal wervings- en plaatsingsbeleid, soms zijn er aanpassingen in de opvangtijden of de ruimte. Vaak worden de leidsters extra geschoold in de vorm van cursussen en dergelijke.

De kinderen met een ‘probleem’ worden meestal geïntegreerd in de groep opgevangen, maar het komt ook voor dat er gekozen wordt voor een aparte groep, bijvoorbeeld voor vluchtelingenkinderen.

In de groep geldt de gebruikelijke methode, waarbij natuurlijk wel aandacht is voor de specifieke mogelijkheden en onmogelijkheden van de kinderen.

 

5.1.3       Kinderopvang-plus.

Het kinderdagverblijf heeft een herkenbaar extra aanbod voor een specifieke doelgroep. Het aanbod wordt meestal kinderopvang-plus genoemd en bestaat uit gerichte aandacht voor het kind en extra ondersteuning van de ouders. De meeste kinderdagverblijven die een plusaanbod hebben, richten zich op kinderen die op het grensvlak van de kinderopvang en de jeugdhulpverlening zitten, maar er bestaat ook een kinderopvang-plus voor kinderen met een handicap.

Bij alle kinderen die gebruik maken van kinderopvang-plus is sprake van een hulpvraag en het doel van de plaatsing van de kinderen is gericht op verbetering van de situatie; bijvoorbeeld het hanteren van gedragsproblemen bij het kind en het ondersteunen van de ouders bij de aanpak van het kind. Soms gaat het erom een duidelijker beeld te krijgen van de problemen om daarna te bepalen welke hulp er nodig is. Meestal is er een doelgerichte aanpak om aan de problemen te werken. Vaak is de plaatsing op een plusplaats tijdelijk. Zodra de doelen bereikt zijn wordt de plaatsing beëindigd, om zo weer plaats te maken voor een ander kind.

Het extra aanbod komt tot stand door goede samenwerking met gespecialiseerde instellingen.

In sommige kinderdagverblijven zijn er één of meer aparte plusgroepen, in andere kinderdagverblijven zijn de plusplaatsen geïntegreerd in de gewone groepen. Meestal zijn de groepen dan kleiner en is er meer sprake van integratie. Maar in de aparte groepen zijn er meer mogelijkheden om een speciale aanpak te realiseren, bijvoorbeeld veel structuur bieden. Ook geldt voor sommige kinderen dat zij beter functioneren in een beschermde, kleinere groep.

 

5.2       Wat wordt er anders?

Leid(st)ers op het kinderdagverblijf kunnen er soms tegenop zien tegen het idee dat er een astmatisch kind op de groep komt, zeker als het kind ‘problemen’ heeft.

Er worden wat dingen anders dan dat ze gewend zijn.

 

5.2.1           Meer aandacht voor het individuele kind.

Op het kinderdagverblijf staat de groep in het algemeen centraal. Als er een kind op de groep komt die extra aandacht vraagt, verschuift het accent grotendeels naar het individu. De leid(st)ers zullen zich moeten blijven afvragen hoe en wat het kind in de groep beleefd. Het is essentieel dat ze zich in het kind inleven en zich proberen voor te stellen wat het kind voelt. Ook moeten ze nadenken wat het kind nodig heeft om zijn beperkingen te compenseren. Bij een astmakind met zware inspanningsastma zullen er andere activiteiten aangeboden moeten worden die lichamelijk minder inspanning vergen.

 

5.2.2           Als dingen anders gaan dan je gewend bent.

In het werken met kinderen met bepaalde problemen, zoals bijvoorbeeld een lichte achterstand in de emotionele ontwikkeling of een concentratiestoornis, zijn er soms dingen die anders gaan. Het kind kan anders reageren op de benadering van de leid(st)er of kan zich niet goed bezig houden met een puzzel. Dingen die bij andere kinderen wel werken, werken bij dit kind niet.

Misschien is de dagindeling niet echt geschikt voor het kind. Het is dan nodig om dit dagpatroon aan te passen aan de behoefte van het kind.

Het kan ook zijn dat de verwachtingen van de leid(st)ers bij gesteld moeten worden. Het kind heeft misschien meer moeite met rustig een tekening inkleuren of kan door benauwdheid niet meezingen met de liedjes. Als er wordt uitgegaan van de gangbare verwachtingen kan het leiden tot teleurstelling bij de leid(st)er, en tot negatieve ervaringen bij het kind.

Het is belangrijk dat de leid(st)ers open staan voor nieuwe, onverwachte gebeurtenissen en de uitdaging aan willen gaan om steeds weer nieuwe oplossingen te vinden.

 

5.2.3           Extra alert zijn.

Om het kind te leren kennen en de verwachtingen af te stemmen op wat het kind kan en wil, is kijken en luisteren naar wat het kind te zeggen heeft essentieel. Dit geldt bij alle kinderen maar bij een chronisch ziek kind een beetje meer.

Door zich open te stellen, steeds goed te kijken en hun intuïtie te laten werken, krijgt de leiding steeds meer inzicht in hoe het kind zich voelt, wat het aankan en wat niet, en wat het nodig heeft.

 

5.2.4           Teveel idealisme.

De meeste leid(st)ers zijn erg betrokken bij de kinderen waarmee ze werken. Een ziek kind roept vaak een extra beschermend gevoel op, een gevoel dat je alle negatieve invloeden weg wilt nemen en het kind te helpen.

Dat is een positief gevoel,maar ook meteen een valkuil. Als een leid(st)er te veel investeert in een kind, kan dat leiden tot een teleurstelling als het niet lukt. Die teleurstelling kan er toe leiden dat hij/zij in een volgende situatie minder inzet heeft of met negatieve verwachtingen begint. Door zich bewust te zijn van dit soort processen wordt er voorkomen dat hij/zij in de valkuil trapt.

 

5.2.5           Met kleine stapjes vooruit.

Het is goed om te beseffen dat een leid(st)er op het kinderdagverblijf maar één deeltje is van het leven van het kind. Hij/zij kan niet de ziekte wegnemen of de gevolgen daarvan verminderen. Ook kan hij/zij in het algemeen niet de problemen die het kind thuis heeft oplossen. Hij/zij moet wel een realistisch beeld voor ogen houden.

Wat de leid(st)er  wel kan doen is het kind een plek bieden waar het zich prettig voelt en zichzelf kan zijn.

Vaak staat hij/zij, als het gaat om jonge kinderen, aan het begin van een heel traject dat kinderen en de ouders nog moeten afleggen.

Soms kan de leid(st)er de ouders en kinderen een beetje verder helpen. Het is goed om oog te hebben voor de kleine stapjes die ze samen bereiken.

 

5.2.6           Ze kunnen het niet alleen.

En ze hoeven het ook niet alleen te doen. De leid(st)ers kunnen gebruik maken van collega’s, ouders en ander deskundigen.

In de opvang van chronisch zieke kinderen zoals astmapatiënten zijn veel dingen minder vanzelfsprekend.

Er zijn meer vragen waarvoor de antwoorden niet direct voor de hand liggen. Overleg en ondersteuning zijn dan ook erg belangrijk.

Als de leid(st)er voor problemen komt te staan kan hij/zij gebruik maken van nieuwe ideeën van anderen.

Binnen het team moet hij/zij terug kunnen vallen op steun en overleg met zijn/haar collega’s.

Overleg met de ouders is ook erg belangrijk om te weten of ze wel op de goede weg zit met het begeleiden van het kind.

 

5.2.7           Open staan voor verschillen.

Respect hebben voor kinderen die ‘anders’ zijn betekent dat de leid(st)ers bereid moeten zijn alles opnieuw te bekijken, vanzelfsprekendheden ter discussie te stellen.

Leid(st)ers die ervaring hebben met bijvoorbeeld chronisch zieke kinderen benadrukken dat je ervoor moet kiezen, je moet er plezier in hebben om te werken met kinderen die anders zijn.

Verschillen zijn ook leuk.

 

5.3       Wat kan een kinderdagverblijf een astmakind bieden.

Om kinderen positieve ervaringen op te laten doen is het pedagogisch klimaat belangrijk. Het is de taak van de leid(st)er om een situatie te scheppen waarin alle kinderen zich veilig voelen en gestimuleerd worden. Voor astmakinderen met ‘problemen’ zijn er soms andere accenten nodig.  Sommige kinderen moet je extra in de gaten houden, of vragen speciale aandacht op bepaalde vlakken. Als een leid(st)er werkt met astmakinderen heeft hij/zij te maken met het zoeken naar evenwicht tussen het gewone en het bijzondere. Om deze kinderen te laten profiteren van de kinderopvang is het soms nodig om de gangbare kaders los te laten en creatief oplossingen te verzinnen voor de vragen die zich voordoen.

Wat een kinderdagverblijf kan bieden aan een astmakind staat hieronder beschreven.

 

5.3.1           Een veilige plek.

Veiligheid, geborgenheid en warmte zijn begrippen die centraal staan in het kinderdagverblijf. Een pedagogisch klimaat waarin kinderen zich lekker en op hun gemak kunnen voelen, is een belangrijke eis.

Waar speciaal op gelet moet worden om een fijne, veilige plek te creëren voor astmatische kinderen zijn;

 

Fysieke veiligheid geven. Voor de meeste astmatische kinderen moeten er voorzorgsmaatregelen genomen worden om zich echt veilig te kunnen voelen. Een kind dat zwaar allergisch is voor stof zal niet “veilig” zijn in een lokaal dat vol ligt met stofhopen zijn. De leiding moet ervoor zorgen dat de ruimte veilig is voor het kind.

 

Acceptatie van het kind. Onvoorwaardelijke acceptatie is een van de belangrijkste dingen in de relatie tussen de leid(st)er en het kind. Dat kan moeilijker zijn als het kind ongewenst gedrag vertoont. Het is goed als de leid(st)er zich daarvan bewust is en probeert het kind zoveel mogelijk positief te benaderen.

 

Een relatie opbouwen. Leid(st)ers hebben een belangrijke rol in het geven van een gevoel van geborgenheid. Naast het wegnemen van struikelblokken in de omgeving, is het opbouwen van een relatie met het kind essentieel. Het kind moet weten dat de leid(st)er iemand is wie hij kan vertrouwen. Voor veel kinderen zijn fysieke nabijheid en lichamelijk contact daarom heel belangrijk.

Bij het ene kind werkt het goed het in het begin dicht bij je te houden, bij andere gaat het opbouwen van een vertrouwensrelatie veel sneller als er in het begin wat afstand gehouden wordt. Proberen, kijken en bijstellen is een goede manier om een relatie op te bouwen.

 

Een eigen plekje. Het kan vooral voor bijvoorbeeld angstige kinderen heel goed werken als ze een eigen plekje hebben, een plekje waar ze zich terug kunnen trekken en toch het hele verblijf kunnen overzien. Zo kan het op zijn eigen tempo de ruimte om zich heen verkennen.

 

Inspelen op signalen. Goed inspelen op de signalen van een kind is erg belangrijk in de opbouw van een relatie. Als de leid(st)er in gaat op de signalen die het kind afgeeft, voelt het kind dat het begrepen wordt. Dat geeft een gevoel van veiligheid. Hij/zij moet vooral opletten wat het kind aangeeft met de lichaamstaal. Als de leid(st)er op ooghoogte is met het kind, kan hij/zij het beste de signalen zien.

 

5.3.2           Ruimte en respect.

Vanuit het vertrouwen in zichzelf en anderen gaan kinderen de wereld om zich heen verkennen en dingen uitproberen. Het is belangrijk dat de kinderen hierin de ruimte krijgen en aangemoedigd worden in hun zelfstandigheid. Dat vraagt om respect voor de individualiteit en de keuzes die de kinderen maken.

 

Oppassen voor overbescherming. Kinderen met een chronische ziekte roepen door hun kwetsbaarheid de drang bij je op om vooral bescherming te bieden. Hier zal de leiding op het kinderdagverblijf ook ‘last’ van hebben. Ze zullen graag eerder ingrijpen voor het geval dat er iets mis zou gaan. Bescherming is belangrijk, om een kind een gevoel van veiligheid te geven. De leiding moet er wel op alert zijn dat ze het kind niet gaan overbeschermen. Door kinderen teveel te beschermen krijgen ze te weinig ruimte in hun ontwikkeling naar zelfstandigheid.

 

Respect hebben voor het bijzondere. Het is belangrijk dat de leid(st)ers de kinderen niet beoordelen op hun achtergrond, maar op het eigene dat ze met zich meebrengen. Het gaat erom dat de leiding oog heeft voor de totale persoon. Dat betekent ook dat ze er voor moeten waken dat ze ongewenst gedrag niet meteen koppelen aan de astma. Respect tonen ze door zich open te stellen voor het kind en goed te luisteren en te kijken naar wat er omgaat in het kind, wat zijn behoeften zijn.

 

Verwachtingen afstemmen op het kind. Belangrijk is dat verwachtingen afgestemd worden op het kind. Een kind met een chronische ziekte kan in de ontwikkeling wat achter liggen, dan kan er niet meer worden uitgegaan van wat gangbaar is bij deze leeftijdsgroep. Maar er moet wel uitgekeken worden dat de verwachten die de lei(st)ers hebben van het kind, niet te laag worden ingeschat. Want dan wordt er het risico gelopen dat niet alle mogelijkheden van de ontwikkeling worden gebruikt. Ook aan kinderen met een chronische ziekte kunnen eisen worden gesteld.

Het is beter om te kijken naar wat het kind straks wel kan, dan naar wat het niet kan. Dat vraagt om zorgvuldig kijken en nadenken over de specifieke mogelijkheden van dit kind.

 

Neem de tijd. Ruimte geven betekent ook geduld hebben. Als de leiding de tijd neemt om erachter te komen wat kinderen bedoelen, wat ze willen uitdrukken, geven ze het kind de gelegenheid om zelf initiatieven te nemen. Initiatieven waar de leiding in mee kan gaan, waardoor het kind bevestiging krijgt.

 

Zelf laten doen. Bij kinderen die bepaalde dingen nog niet helemaal zelf kunnen, zal de leidster een evenwicht moeten vinden tussen helpen en het zelf laten proberen. Ze moet het kind zoveel mogelijk aanmoedigen en in de gaten houden of het lukt. Als het te vaak niet gaat zoals het kind wil, kan dit hem ontmoedigen. Een helpende hand of ene duwtje is wat het kind dan nodig heeft, maar te snel of te veel hulp aan bieden neemt de kans op succeservaringen weg bij het kind.

Als het niet helemaal lukt, kan de leidster het beste vragen of het kind hulp wil en nodig heeft. Zo kan het kind zelf beslissen of het de hulp aanneemt of niet.

 

5.3.3           Structuur en duidelijkheid.

Kinderen hebben structuur nodig om zich veilig te voelen en zich vrij te kunnen bewegen. Een vaste structuur en duidelijkheid geeft kinderen een houvast in hun ontdekkingstocht.

Kinderen die erg druk zijn of zich slecht kunnen concentreren ervaren de wereld om zich heen vaak  als een chaos. Kinderen met een ontwikkelingsachterstand hebben er vaak moeite mee te begrijpen hoe alles in elkaar zit en kunnen angstig of druk worden van onverwachte gebeurtenissen.

Door een vaste dagindeling, een overzichtelijke ruimte en duidelijke regels kan er een gestructureerde omgeving worden gecreëerd.

 

Regels stellen. De regels die gesteld worden moeten vooral haalbaar en duidelijk zijn. Kinderen moeten precies weten wat wel en wat niet mag. Aan kinderen die moeite hebben met hun aandacht ergens bij te houden, zullen de regels vaak herhaald moeten worden.

Ook de consequenties moeten duidelijk gemaakt worden, en er moet ook consequent gereageerd worden als een kind de regels overtreedt. Daarnaast is het erg belangrijk dat er ook duidelijk gemaakt wordt wat er wél gedaan mag worden. Daarmee wordt het kind de mogelijkheid gegeven om positief gedrag te vertonen. Daarbij zijn het belonen en aanmoedigen van positief gedrag natuurlijk heel erg belangrijk.

Wel moet er op gelet worden dat er niet teveel regels gesteld worden. Het uitgangspunt van regels is dat er een veilige en prettige omgeving gecreëerd wordt voor de kinderen en niet om de leiding meer  controle te geven.

 

Orde aanbrengen. Door structuur aan te bieden wordt het kind geholpen ordening in zijn omgeving aan te brengen.

De ruimte kan het beste overzichtelijk en met rustige kleuren ingericht zijn om te veel prikkels te vermijden.

Als de dag voorspelbaar wordt gemaakt door de activiteiten volgens een vast patroon te laten verlopen weet een kind waar het aan toe is. Hierbij helpt ook het hebben van duidelijke regels en het consequent handelen bij het overtreden van deze regels.

Ook het opbergen van materialen op vaste herkenbare plekken helpen het kind met orde scheppen in zijn omgeving.

Door steeds te benoemen en zichtbaar te maken wat er gaat gebeuren kan de leiding de kinderen meer grip laten krijgen op de wereld om hen heen.

Rommelige en onoverzichtelijke situaties kunnen vermeden worden als er in kleine groepjes gewerkt wordt. Ook de afwisseling van rustige en drukke activiteiten brengen orde in de chaos.

 

5.3.4           Groei en ontwikkeling.

Bij kinderen staat groei en ontwikkeling centraal. Een kinderdagverblijf is er op gericht een omgeving te creëren die helpt bij de ontwikkeling van kinderen. Leid(st)ers kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen door aan te sluiten bij de belevingswereld van het kind en door op de het goede moment en op de juiste manier iets toe te voegen. Het is erg belangrijk om uit te gaan van de mogelijkheden van het kind en niet de achterstanden en onmogelijkheden centraal te stellen.

 

Observeren. Om te kunnen helpen bij een goede groei en ontwikkeling is het als eerste belangrijk goed te kijken, te observeren. Wat kan het kind en wat kan het niet, wat heeft het kind nodig en wat juist niet. Ondersteuning, aanwijzingen of ingrijpen.

 

Actieve communicatie. Door actief mee te doen in de communicatie kan de leid(st)er de kinderen veel leren over de dingen die gebeuren en over hun eigen en elkaars gevoelens en gedrag. Door te verwoorden wat kinderen in hun non-verbale uitingen laten zien helpt de leid(st)er de kinderen zich uit te drukken. Door ook mee te spelen in het spel van het kind kan de leid(st)er vragen stellen en commentaar geven in het spel. Ook kan hij/zij op deze manier voorbeeld gedrag laten zien waarmee hij/zij nieuwe gedragsmogelijkheden aan kan geven.

 

Positieve kanten zien en gebruiken. Bij kinderen met problematisch gedrag kan de neiging ontstaan alleen te kijken naar de moeilijke en vervelende gedragingen. Maar om verder te komen moet de leid(st)er vooral kijken naar wat wel goed gaat, en het positieve benoemen. Hij/zij kan de positieve punten van het kind aanpakken om verbetering te realiseren op de punten die moeilijk gaan.

 

Uitdaging en stimulans. Kinderen vragen om steeds weer uitgedaagd te worden tot het ervaren en het leren van nieuwe dingen. Ze hebben de stimulans nodig van volwassenen die laten merken dat ze het kunnen. Voor ieder kind apart moet de leid(st)er zorgvuldig bekijken en inschatten wat haalbaar is. Zoals ik al eerder verteld heb moet de leid(st)er elk klein stapje waarderen. Het waarderen en benoemen van de kleine stapjes geeft kinderen een ervaring van succes.

 

5.3.5           Omgang met ander kinderen.

De omgang met andere kinderen is voor kinderen erg belangrijk. Spelen met andere kinderen, opgenomen worden in de groep meedoen zijn belangrijke elementen in het kinderdagverblijf. Voor sommige kinderen geldt dat zij een extra duwtje in de rug moeten hebben voor hun sociale ontwikkeling, bijvoorbeeld bij het samen spelen. Ook voor kindreen met moeilijk gedrag geldt dat van de groep een voorbeeldfunctie uitgaat. Kinderen willen er graag bij horen, dat zorgt ervoor dat veel kinderen geneigd zijn zich te houden aan de regels van de groep.

 

 

Conclusie

 

Het begeleiden van een astmakind.

Astma is een chronische aandoening aan de luchtwegen. Wanneer een kind een aanval krijgt moet het vechten voor zijn leven. Dat een verzorgende hierbij een grote rol speelt zal duidelijk zijn.

Als een kind een aanval krijgt raakt het vaak in paniek, er moet dan iemand zijn die hem kan helpen, gerust kan stellen en weet hoe te handelen.

Een astma-aanval wordt niet alleen veroorzaakt door allergische reacties in de omgeving waarin een kind verblijft, maar kan ook door inspanning, infecties en emoties veroorzaakt worden.

 

Ieder kind ontwikkeld zich op een ander tempo. Er moet gekeken worden naar het individu, hoe dat kind zich ontwikkeld, er moet niet vergeleken worden met andere kinderen van dezelfde leeftijd. Pas als er een reden is tot zorg, dan moet er op professionele manier gekeken worden naar de ontwikkeling van het kind. Naar zowel de motorische ontwikkeling als naar de zintuiglijke ontwikkeling, naar de cognitieve ontwikkeling en de emotionele ontwikkeling.

 

Er is een samenhang tussen het chronisch ziek zijn en veranderingen in gedrag en psyche.

Uit onderzoeken blijkt dat bij 40 % van de kinderen met een chronische ziekte vroeg of laat een psychosociale stoornis ontstaat. Omdat astma ook een chronische ziekte is kun je je bedenken dat ook hierbij een grote kans is om psychologische problemen te krijgen. Daarbij komt ook nog dat door het vechten voor (levens)lucht en door bepaalde medicijnen sommige kinderen gedragsproblemen krijgen.

 

Het hele gezin en de leefomgeving leeft met het kind mee.

Het is duidelijk dat de ziekte niet op zichzelf staat, maar dat iedereen er mee te maken heeft.

Per leeftijd is de beleving van astma anders, maar er zijn een aantal dingen die overeen komen. Angst en druk gedrag. 

Zeker ook de leid(st)ers op het kinderdagverblijf hebben te maken met de bijkomende problemen van astma. Zij moeten er voor zorgen dat het kind op hen kan rekenen, dat ze het kind een veilige plek bieden, zodat het zich in zijn eigen tempo kan ontwikkelen en het een steuntje in de rug heeft bij dingen die voor het astmakind moeilijker zijn dan voor een “gezond” kind.

 

 ‘Kan een astmakind op een regulier kinderdagverblijf op een goede manier begeleid worden?’

 

Het verschil in de 3 verschillende soorten van kinderdagverblijven zit hem in de doelgroep.

Bij het reguliere kinderdagverblijf wordt er gedoeld op de groep “normale” kinderen. Het reguliere kinderdagverblijf heeft geen vast beleid wat betreft chronisch zieke kinderen of kinderen met psychische en/of gedragsproblemen.

Bij het kinderdagverblijf met een doelgroepenbeleid wordt er gedoeld op een bepaalde groep kinderen, bijvoorbeeld vluchtelingenkinderen of kinderen met een emotionele achterstand.

Kinderopvang-plus is vooral voor kinderen met de ‘zwaardere” problemen, die hoogstwaarschijnlijk binnen een bepaald tijdsbestek kunnen worden opgelost.

Het is voor alle kinderen belangrijk dat het kinderdagverblijf een veilige stimulerende omgeving biedt. Maar vooral voor kinderen met astma en bijkomende problemen is dit belangrijk. Een astmatisch kind is niet veilig in een omgeving waar veel allergische en niet-allergische prikkels zijn. Ook zal een angstig kind zich niet veilig voelen op een groep waar erg veel drukke kinderen rondrennen en schreeuwen. Een kind met een achterstand in de ontwikkeling zal zich niet veel verder ontwikkelen als er geen stimulerende activiteiten worden aangeboden. Dit alles is erg belangrijk in de opvang van astmatische kinderen (met bijkomende problemen).

 

Een kind met lichte astma en geen verdere problemen zou op een regulier kinderdagverblijf best begeleid kunnen worden. Zolang de leiding weet wat astma inhoudt en hoe er gereageerd moet worden wanneer er zich een aanval voordoet. Ook moet de ruimte geschikt zijn voor een astmatisch kind, volgens de saneringsregels.

Daar staat tegenover dat een zwaar astmatisch kind met bijkomende problemen waarschijnlijk niet goed begeleid kan worden op een regulier kinderdagverblijf.

Als het kind bijvoorbeeld erg druk gedrag vertoont zal het er meer baat bij hebben als het in een groep komt met niet teveel (± 8) kinderen. Op een regulier kinderdagverblijf is dat praktisch niet te realiseren.

Ook zijn de leidsters er niet in gespecialiseerd om een kind met ernstige gedragsproblemen te begeleiden.

Zo komen er een hoop praktische zaken bij kijken.

 

Een kinderdagverblijf met een doelgroepen beleid richt zich op een bepaalde doelgroep, dit kan dan ook een groep astmatische kinderen zijn. Een voordeel van het kinderdagverblijf met een doelgroepenbeleid is dat de leiding bijgeschoold wordt, in richting van de doelgroep. Als er bijvoorbeeld een kinderdagverblijf is dat speciaal gericht is op kinderen met astma, dan zullen de leidsters zeer veel weten over astma en alles wat daar bij komt kijken.

Astmakinderen die ernstige gedragsproblemen hebben, doordat ze niet om kunnen gaan met de druk die het vele ziek zijn met zich mee brengt, zouden, als de ruimte het toelaat (saneringsgewijs gezien) op een goede plek zijn in de kinderopvang-plus.

 

Naar wat voor soort kinderdagverblijf een astmakind toe gaat is ook afhankelijk van de ouders.

Er moet nog wel gekeken worden naar wat de idealen zijn van de ouders.

Willen ze graag het kind in een geïntegreerde groep, waar hun kind ook met kinderen speelt die geen problemen hebben. Of willen ze graag dat hun kind zoveel mogelijk beschermd wordt en op een zo volmaakt mogelijke manier begeleid wordt in zijn ontwikkeling.

Ook moet er gekeken worden of het haalbaar is voor de leidsters van een regulier kinderdagverblijf om een astmatisch kind op de groep te laten komen. Is het haalbaar om de ruimte te saneren, is de groep niet te groot en zijn er niet teveel drukke kinderen. Weten de leidsters genoeg over astma om een kind met een aanval gerust te kunnen stellen en weten ze waar ze op moeten letten in de omgang met astmakinderen?

 

Of het mogelijk is een astmakind op regulier kinderdagverblijf op een goede manier te begeleiden is afhankelijk van de ernst van de astma, de ernst van de bijkomende problemen, de idealen van de ouders en de mogelijkheden van de leid(st)ers op het kinderdagverblijf.

 

Ikzelf zou graag zien dat mijn zoon opgevangen wordt in een groep waar allemaal verschillende kinderen zijn. Kinderen met en kinderen zonder problemen. Kinderen met astma en kinderen met andere ziekten en natuurlijk gezonde kinderen. Zo leert hij dat iedereen anders is en uniek op zijn eigen manier.

Ook zou ik graag zien dat de leid(st)ers genoeg weten over astma en waar ze op moeten letten wat betreft bijkomende problemen.

Het lijkt mij geen slecht idee om alle leid(st)ers van kinderdagverblijven, buitenschoolse opvang en leraren op scholen een bijscholing te geven over astma. Aangezien zo’n 10 tot 15 % van alle kinderen astmatische klachten heeft. Zo kunnen ze de kinderen op voorhand al beter begeleiden en weten ze waar ze op moeten letten met de schoonmaak van de ruimtes, dat zal de kinderen én ouders een fijner en veiliger gevoel geven.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Aanbevelingen

 

Uit ervaring weet ik dat het niet makkelijk is om je zieke kind bij een ander achter te laten.

Het is een fijn idee dat de mensen die de van de ouders overnemen weten wat er aan de hand is.

Daarom is het goed dat de leidsters goed geïnformeerd zijn over astma.

Dit kan door middel van brochures die te bestellen zijn bij het Astmafonds.

Ook geeft Het Astma Fonds op verzoek geheel gratis voorlichting aan groepen bij verenigingen, bedrijven, organisaties, scholen en instellingen.

Er is bij het Astma Fonds erg veel informatie te vinden over astma.

Nederlands Astma Fonds,

Postbus 5, 3830 AA Leusden

Tel: 033-43411212, Fax: 033-4341299

CARALIJN, tel: 0800-2272596 (op werkdagen van 9 tot 17 uur)

http://www.astmafonds.nl

E-mail: info@astmafonds.nl

 

Voor de ouders is het fijn als ze zeker weten dat alles duidelijk is, dat ze zeker weten dat hun kind alle zorg krijgt dat het nodig heeft.

Het bijhouden van een dossier kan hierbij goed helpen.

Zet hierin o.a.:

-          Namen en telefoonnummers van de ouders,

-          Naam en telefoonnummer van de (kinder/huis)arts.

-          Medicijnen en het gebruik daarvan.

-          Allergieën.

-          Algemene karakter van het kind.

-          Aandachtspunten in de begeleiding.

-          Eventueel aanwijzingen die kunnen wijzen op een aanval.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nawoord

 

Ik hoop dat jullie genoten hebben van mijn scriptie.

Ik wil graag nog een paar mensen bedanken;

Als eerste alle ouders die mij zoveel verhalen hebben gegeven en zoveel ervaringen met mij hebben gedeeld.

Daarnaast wil ik ook graag Dr V. T. Colland en Els Reestman van Astmacentrum de Heideheuvel bedanken voor het toesturen van informatie.

Ook wil ik Anne van Oosterhout bedanken voor de informatie die zij mij gegeven heeft.

En natuurlijk wil ik graag mijn lerares Tuuk Donselaar bedanken voor de begeleiding bij het maken van dit schrijven

 

Gelukkig heeft Jeremy geen zware astma, en zijn zijn gedrags ‘problemen’ niet zo zwaar dat ik hem niet durf weg te brengen naar een regulier kinderdagverblijf. Maar ik blijf mij afvragen of het wel goed zal gaan. Weten ze wel echt hoe ze om moeten gaan met een astma-aanval? En weten ze wel hoe ze om moeten gaan met zijn drukke en soms onhandelbare gedrag? Ik moet erop vertrouwen dat het goed zal gaan. De leidsters zijn immers professionele opvoeders.

Maar het blijft moeilijk, want ‘Niemand kent mijn kind zo goed als dat ik hem ken!’

De tijd zal het uitwijzen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Literatuurlijst.

 

Hoofdstuk 1:

120 vragen over CARA;W.T.J. van den Brink;1995

 

Alles over astma; Erik van Stokkum;1999

 

Chronisch zieke kinderen en jongeren; Dr. I.M. Baldew & S.A. Baldew-Visser, 1985

 

Reader ‘Verpleging van het kind met astma’; Astma Fonds.

 

Childhood Asthma Management Program (CAMP) Repository:

CAMP Coordinating Center, The Johns Hopkins Center for Clinical Trials; 1994

 

Hoofdstuk 2:

Traject, Ontwikkeling en opvoeding; A.C. Verhoef; 1997

 

Had me dat eerder verteld; J.D. van der Ploeg; 1998

 

Hoofdstuk 3:

Chronisch zieke kinderen en jongeren; Dr. I.M. Baldew & S.A. Baldew-Visser, 1985

 

Psychosocial Risks of Chronic Health Conditions in Childhood And Adolescence (RE9338)

AMERICAN ACADEMY OF PEDIATRICS; Committee on Children With Disabilities and Committee on Psychosocial Aspects of Child and Family Health; 1993

Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry,

Relationship of asthma severity and psychological problems in children.
Marianne Z. Wamboldt; 1998

 

Difficult asthma: beyond the guidelines

Department of Paediatric Respiratory Medicine, Royal Brompton & Harefield NHS Trust; Department of Paediatrics, Chelsea and Westminster Hospital, Ian Balfour-Lynn,

 

Hoofdstuk 4

Kinderen en cara; R.W. Groffioen, J. van Zijverden, J.C. van Nierop, 1986

 

Ruimte voor kinderen met allergie en astma; Hansje Ausems, Anne van Oosterhout; 2000

 

Had me dat eerder verteld; J.D. van der Ploeg; 1998

 

Reader ‘Verpleging van het kind met astma’; Astma Fonds.

 

Kinderproblemen beter begrijpen; prof. Dr. Ursel Mielke; 1996

 

Hoofdstuk 5

Kwetsbare kinderen in de kinderopvang; Netty Jongepier; 1998

 

Traject, Kinderopvang;

 

http://www.rijv.nl/ggd/downloads/Druktemakers.pdf

http://www.jeugdhulp.nl/dcd/Opvoeding

http://www.oudersonline.nl/vraagbaak (Joanna Sandberg)

http://www.astmafonds.nl

 

Bijlage 1          Inhalatiekamers voor Dosis-aërosol.

 

 

 

Babyhaler:

 

 

 

Nebuhaler:

 

 

 

Volumatic:

 

 

 

Aerochamber:

 

 

 

 

Bijlage 2                      Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry

Sept, 1998

Relationship of asthma severity and psychological problems in children.
Author/s: Marianne Z. Wamboldt

Does severity of an illness predict more psychological problems in children? Some epidemiological studies suggest greater risk (Cadman et al., 1987; Gortmaker et al., 1990; Graham et al., 1967), while others do not (Drotar, 1981; Kellerman et al., 1980; Tavormina et al., 1976). Even with an overall increase in risk for psychopathology, the variability among children is great. There is little empirical evidence to suggest that children with specific diseases differ substantially in the type or degree of maladjustment (Breslau, 1985; Gortmaker et al., 1990; Wallander et al., 1988) with the exception of increased risks for disorders involving CNS dysfunction (Breslau and Marshall, 1985; Perrin et al., 1987; Stein and Jessop, 1984). In general, demographic variables such as age, gender, and socioeconomic status (SES) do not predict which children with chronic illness will have more adjustment difficulties.

Similarly, the literature is not consistent regarding psychological problems in children with asthma. Some studies suggest there are overall increased rates of individual internalizing problems in patients with asthma (Hamlett et al, 1992; Kashani et al., 1988; MacLean et al., 1992), while others do not (Gauthier et al., 1978; Graham et al., 1967; McNichol et al., 1973; Nassau and Drotar, 1995). Several patterns can be derived from these seemingly contradictory studies: parent (usually maternal) report of child difficulties suggests higher rates of psychopathology in children with asthma than is found with outside observer or child self-ratings. For example, Lewis and Khaw (1982) determined that children with asthma had more parent-rated behavior problems than healthy controls. However, the children's own self-est